Werkwoordelijk gezegde:
Binnen het gezegde kunnen we nog andere zinsdelen aanduiden.
Het deel van het gezegde dat zegt wat het onderwerp doet,
noemen we het werkwoordelijk gezegde (ww.gez.).
Een werkwoordelijk
gezegde bestaat uit werkwoorden
of een werkwoordsvorm voorafgegaan door het
woordje ‘te’.
Meestal bestaat het ww.gez. uit de pv of een pv + noemvorm of v.deelw.
Vb.: Hij zit in de klas.
Hij heeft in de klas gezeten.
Hij zal in de klas zitten.
Hij zit in de klas te dromen.
*de vet gedrukte delen zijn ww.gez.
ONDERWERP EN WERKWOORDELIJK GEZEGDE
Wat ik nog moeilijk vond…. en ik goed moet leren!!!!
|
Werkwoordelijk gez. |
Noemvorm ( ik zal …) |
Stam ( ik …) |
|
|
Karel twijfelt aan zijn belofte. |
Ja / nee |
||
|
Gisteren telefoneerde mama een half uur. |
Ja / nee |
||
|
Hij heeft zijn oudste zoon aan God beloofd. |
Ja / nee |
||
|
Marie heeft de kraaien het eerst opgemerkt. |
Ja / nee |
||
|
Hij vertelt een geheim aan Katrien. |
Ja / nee |
||
|
Piet heeft 10 koekjes opgegeten. |
Ja / nee |
||
|
De kampeerders zetten hun tenten op aan de rivier. |
Ja / nee |
||
|
De chauffeur haalde een bromfiets in. |
Ja / nee |
||
|
Als kind werd ik misselijk in de auto. |
Ja / nee |
||
|
Heb je wel eens over het spookdiertje gehoord? |
Ja / nee |
||
|
’s Nachts vliegt de vleermuis uit. |
Ja / nee |
||
|
De zwarte vogel in de kersenboom is een merel. |
Ja /nee |